Meisjes met parasol op het strand, Viareggio (1934)

Isaac Lazarus Israëls (Amsterdam, 3 februari 1865 – Den Haag, 7 oktober 1934) was een van de voornaamste Nederlandse schilders uit de groep van Amsterdamse Impressionisten. Naast zijn schilderwerk was hij tekenaar en aquarellist en maakte hij pastels, etsen en litho’s.

De jonge Isaac werd al op zijn dertiende van school genomen door zijn ouders en al vroeg opgeleid in het atelier van zijn vader, Jozef Israëls, een van de oudere meesters van de Haagse School. Hij volgde enkele jaren de academie in Den Haag, van 1880 tot 1882. Hij bleef verder autodidact, naast zijn vader. In 1880 schilderde hij al zijn vroege werken als De schermles, De militaire stal en de Militaire begrafenis en debuteerde met De repetitie van het signaal op de Tentoonstelling van Levende Meesters in Den Haag. Het schilderij werd, nog voor het af was, gekocht door Hendrik Willem Mesdag. In 1882 ontving hij een eervolle vermelding voor Militaire Begrafenis op de Salon des Artistes Français van Parijs. In 1886 studeerde hij nog korte tijd aan de Rijksacademie Amsterdam, waar hij werd weggestuurd omdat hij inmiddels volleerd was.

Isaac Israëls - Meisjes met parasol op het strand, Viareggio
Isaac Israëls - Meisjes met parasol op het strand, Viareggio

Meisjes met parasol op het strand, Viareggio, olieverf op doek 50,4 x 40,5 cm, gesigneerd rechtsonder en te dateren 1923-1934,

Isaac maakte in Amsterdam kennis met het mondaine stadsleven en ontmoette er George Breitner en Willem de Zwart. Hij werd een schilder van het turbulente nachtleven met een vrije, zwierig impressionistische toets. Met de Duitse schilder Max Liebermann werkte hij vaak samen in Scheveningen. Geïntroduceerd door Thérèse Schwartze wijdde hij zich eveneens aan motieven met mannequins en naaistertjes uit de modewereld.

In de zomer van 1903 verbleef Israëls in Parijs. Een jaar later verhuisde hij naar de Franse lichtstad, waar hij onder de indruk kwam van Edgar Degas en van het werk van Henri de Toulouse-Lautrec. Hij had er zijn atelier op de Boulevard de Clichy. Hij schilderde er de specifiek Parijse motieven: het publiek in de parken, de cafés, cabarets en bistro’s, naast de circus- en kermisacrobaten. Ook hier beeldde hij het atelierleven uit bij de Franse couturière Jeanne Paquin. In 1908 en 1909 exposeert hij op de Parijse Salon.

Van 1913 tot 1915 verbleef hij in Londen. Hier waren het de ruiters op Rotten Row en de jonge danseresjes in de balletschool die zijn belangstelling kregen. In het voorjaar van 1915 reist hij naar Zwitserland, in juli naar Parijs, in augustus terug naar Londen en hij is eind september weer in Nederland.

Eind 1921 reisde Israëls naar Nederlands-Indië. Hij verbleef voornamelijk op Java, en wel in Batavia, Buitenzorg, Yogjakarta en Solo waar hij enige tijd aan het hof van de Mangkoenegara verbleef. Ook bezocht hij Bali samen met de familie Veth. Op 4 oktober 1922 scheepte hij zich weer in voor Nederland.

In 1923 keerde hij terug naar Den Haag. Hij ging voorgoed aan de Haagse Koninginnegracht 2 wonen, in het huis van zijn ouders, die eerder op Koninginnegracht nr. 6 woonden. In het koetshuis van nr. 2 hadden Isaac en zijn vader ieder een eigen atelier. De vader van Israëls overleed in 1911. In 1928 won Isaac op het kunsttoernooi van de Olympische Spelen een gouden medaille in de categorie schilderkunst met het werk Ruiter in roode rok (ook wel getiteld Ruiter met de rode jas, De rode rijder of De roode ruiter).

Israëls overleed thuis, op 7 oktober 1934, twee dagen nadat hij werd aangereden door een auto, waar hij geen uitwendige verwondingen door had opgelopen.

Zijn techniek, niet van Franse invloed gespeend, leidde tot de blijvende faam van de Amsterdamse Impressionisten.