Het ontstaan van de vier evangeliën van het Nieuwe Testament.
Ongeveer 50-100 na Christus - Het ontstaan van het Nieuwe Testament
Het Nieuwe Testament ontstond in de eerste eeuw na Christus als reactie op de opkomst van de vroege christelijke gemeenschappen en hun behoefte om het leven, de leer en de betekenis van Jezus van Nazareth vast te leggen. De teksten werden in verschillende contexten geschreven, meestal op Grieks, en verspreid onder Joodse en heidense gemeenschappen in het oostelijke Middellandse Zeegebied. Het proces van samenstelling was geleidelijk mondelinge tradities circuleerden decennia lang voordat ze op schrift werden gesteld, en de vier evangeliën – Marcus, Mattheüs, Lucas en Johannes – werden uiteindelijk samengebracht als canonieke kern van het Nieuwe Testament. Archeologisch bewijs, zoals de Dode-Zee-rollen en vroege papyrusfragmenten, ondersteunt de dateringen en laat zien dat de teksten tussen ca. 50 en 100 na Christus werden geschreven. Samen vormen de vier evangeliën een coherent narratief over Jezus’ leven, lijden, dood en opstanding, waarbij ieder evangelie een uniek perspectief biedt dat samen een rijk en veelzijdig beeld oplevert.
1. Ongeveer 55-65 na Christus - Marcus: Het oudste evangelie
Marcus wordt algemeen beschouwd als het oudste evangelie, geschreven rond 55-65 na Christus door Johannes Marcus, mogelijk een medewerker van Petrus, gebaseerd op mondelinge overleveringen van Jezus’ woorden en daden. Het evangelie is kort en gericht op het lijden en de daden van Jezus, met een directe vertelstijl. De oudste bewaard gebleven fragmenten van Marcus zijn te vinden in Papyrus 45 (P^45), een codex uit ca. 250 na Christus, bewaard in het Claremont Colleges Library, Verenigde Staten. Marcus fungeert als bron voor de latere evangeliën van Mattheüs en Lucas, die delen van zijn tekst en volgorde overnemen, maar aanvullen met genealogieën, leringen en contexten die aansluiten bij hun specifieke gemeenschappen. De samenhang met de andere evangeliën ligt in gedeelde verhalen zoals de genezing van zieken, wonderen en de kruisiging, maar Marcus legt de nadruk op de praktische en menselijke kant van Jezus’ missie.
2. Ongeveer 60-70 na Christus - Mattheüs: Evangelie van de Joodse gemeenschap
Mattheüs werd geschreven tussen 60 en 70 na Christus, vermoedelijk door een Joodse christen die Marcus’ evangelie gebruikte als bron en dit aanvulde met eigen tradities en verwijzingen naar de Hebreeuwse Schrift. Dit evangelie benadrukt Jezus als vervulling van profetieën en bevat uitgebreide leringen zoals de Bergrede en parabels over rechtvaardigheid en genade. De oudste fragmenten van Mattheüs zijn te vinden in Papyrus 1 (P^1), ca. 250 na Christus, bewaard in de Bibliothèque nationale de France in Parijs. Mattheüs integreert Marcus’ verhalen, maar voegt genealogieën, uitgebreide dialogen en Joodse contexten toe, waardoor de samenhang met Marcus duidelijk is, terwijl unieke accenten worden gelegd op Jezus als Messias en onderwijzer. Deze toevoegingen versterken de theologische boodschap en het pedagogische doel van het evangelie binnen de vroege Joodse christelijke gemeenschappen.
3. Ongeveer 65-80 na Christus - Lucas: Evangelie van de universele boodschap
Lucas, geschreven rond 65-80 na Christus, is opgesteld door een geschiedkundige en arts die nauwe banden had met Paulus. Het evangelie combineert materiaal uit Marcus, Mattheüs en andere mondelinge en schriftelijke bronnen, aangevuld met unieke verhalen zoals de parabels van de barmhartige Samaritaan en de verloren zoon. De oudste fragmenten van Lucas zijn te vinden in Papyrus 75 (P^75), daterend van ca. 200-225 na Christus, bewaard in het Vaticaans Apostolisch Museum. Lucas benadrukt de universele betekenis van Jezus’ boodschap en legt een nadruk op sociale gerechtigheid en de zorg voor de gemarginaliseerden. Het evangelie sluit nauw aan bij het boek Handelingen, geschreven door dezelfde auteur, en toont thematische samenhang met Marcus en Mattheüs door gedeelde verhalen en volgorde van gebeurtenissen, terwijl het ook unieke theologische en sociale perspectieven toevoegt.
4. Ongeveer 90-100 na Christus - Johannes: Mystiek en theologisch perspectief
Johannes, geschreven tussen 90 en 100 na Christus, verschilt aanzienlijk van de synoptische evangeliën door zijn stijl, theologie en symboliek. Het evangelie benadrukt Jezus als het goddelijke Logos, met lange theologische monologen en diepgaande symboliek. De oudste bewaard gebleven fragmenten zijn Papyrus 52 (P^52), een klein fragment uit ca. 125 na Christus, bewaard in de John Rylands Library in Manchester. Hoewel het in grote lijnen aansluit bij de synoptische evangeliën door kernverhalen zoals de kruisiging en opstanding te bevestigen, legt Johannes nadruk op het innerlijke geloof, de relatie tussen mens en God, en het mystieke karakter van Jezus’ identiteit. Hierdoor vullen de vier evangeliën elkaar aan Marcus biedt de basis, Mattheüs de Joodse theologie, Lucas de universele en sociale boodschap, en Johannes een diep spiritueel perspectief. Samen vormen zij een samenhangend maar veelzijdig beeld van Jezus’ leven en betekenis in de vroege christelijke traditie.
Overeenkomsten in het beeld van Jezus
De eerste vier delen van het Nieuwe Testament – de evangeliën van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes – presenteren Jezus eensgezind als de centrale figuur van Gods openbaring. In alle evangeliën treedt hij op als leraar, genezer en verkondiger van het Koninkrijk van God. Zijn boodschap draait om bekering, liefde voor God en de naaste, en een radicale heroriëntatie van menselijk handelen. De synoptische evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas) tonen Jezus vooral binnen een joodse context: hij citeert de Schrift, gebruikt gelijkenissen en vervult volgens de auteurs de messiaanse verwachtingen. Johannes sluit hierbij aan door Jezus eveneens als door God gezonden te presenteren, maar doet dit met een sterkere nadruk op zijn unieke, universele betekenis.
Tegenspraak en theologische verschillen
Tegelijkertijd spreken de evangeliën elkaar op verschillende punten tegen. Johannes beschrijft Jezus als het pre-existente “Woord” dat bij God was, terwijl de synoptici zijn goddelijke status minder expliciet maken. Ook verschillen de evangeliën in chronologie: zo plaatst Johannes de tempelreiniging aan het begin van Jezus’ optreden, terwijl de synoptici dit aan het einde doen. De geslachtsregisters in Matteüs en Lucas lopen uiteen, en de laatste woorden van Jezus aan het kruis verschillen per evangelie. Deze tegenstrijdigheden laten zien dat de evangeliën geen uniforme biografie vormen, maar theologisch gekleurde portretten die elk vanuit een eigen perspectief betekenis geven aan wie Jezus was en wat hij betekende.
