Schilderkunst

Het laatste avondmaal

Het Laatste Avondmaal
Het Laatste Avondmaal

Fresco van Het Laatste Avondmaal, Santa Maria delle Grazie, Milaan, 460 × 880 cm

Het Laatste Avondmaal was volgens het Nieuwe Testament de maaltijd die Jezus op de avond voor zijn dood en herrijzenis (ca. 30 n.Chr.) met zijn apostelen had, als onderdeel van het joodse Pesach. Het woord ‘laatste’ slaat hier dus op de laatste maaltijd van Jezus voor zijn kruisiging. Tijdens deze maaltijd voorspelde Jezus dat een van zijn discipelen hem zou uitleveren en stelde hij het Heilig Avondmaal in. Aan het einde voorspelde hij de verloochening van Petrus.

Leonardo da Vinci (Anchiano (Vinci), 15 april 1452 – Amboise, 2 mei 1519) was een architect, uitvinder, ingenieur, filosoof, natuurkundige, scheikundige, anatomist, beeldhouwer, schrijver en schilder uit de Florentijnse Republiek, tijdens de Italiaanse renaissance. Hij wordt gezien als het schoolvoorbeeld van het renaissance-ideaal van de homo universalis en als genie.

Leonardo gold met al zijn talenten, die men tijdens zijn leven al erkende, in zijn tijd als een controversieel persoon. Onder andere vanwege zijn artistieke kwaliteiten kreeg hij diverse opdrachten van de Kerk voor het vervaardigen van religieuze kunst. Het schilderwerk “Het Laatste Avondmaal” is hier een beroemd voorbeeld van. Leonardo stond zijn gehele werkzame leven onder bescherming van invloedrijke personen, een tijdlang zelfs onder die van de paus zelf. Hoewel de kerk zich al minder rigide betoonde dan voorheen (anatomisch onderzoek werd op kleine schaal toegestaan), was er toch geen sprake van verlichting, getuige het proces tegen Galileo Galilei ruim een eeuw na Leonardo da Vinci’s dood.

Leonardo heeft ook een aanvaring gehad met de paus. Op een manuscriptvel noteerde hij dat de paus, aan wiens hof hij resideerde, hem betrapt had op anatomisch onderzoek op menselijke lijken. Ook is in een van zijn notities de opmerking “De zon staat stil” te vinden, volgens sommigen een verwijzing naar een heliocentrische kijk die tegen de toen geldende dogma’s inging.

De aanbidding van het Lam Gods

Het op eikenhout geschilderde schilderij ‘De aanbidding van het Lam Gods’ is een groot en inhoudelijk complex vroeg-15e-eeuws Vlaams veelluik. Het werk is in 1430-1432 gemaakt in opdracht van de Gentse burger-koopman Joos Vijd door de gebroeders van Eyck. Het is ontworpen als altaarstuk voor de Vijdkapel in de Sint-Janskerk van Gent.

Het veelluik kende een uiterst avontuurlijke geschiedenis en is, op één paneel na, ‘de Rechtvaardige Rechters’, in zijn geheel te zien in de Sint-Baafskathedraal in Gent.

Er zijn verschillende panelen zichtbaar afhankelijk van of veelluik gesloten of open is.

Gesloten

De aanbidding van het Lam Gods (gesloten)
De aanbidding van het Lam Gods (gesloten)

Gesloten – boven (van links naar rechts)

Boogpanelen over de Annunciatie:

  1. Profeet Zacharias
  2. Sibille van Erythrae
  3. Sibille van Cumae
  4. Profeet Micha

Gesloten – midden

  1. Aartsengel Gabriël
  2. Interieur: Doorkijk op een Gentse straat
  3. Interieur: Lavabo met handdoek
  4. Maria in Gebed

Gesloten – onder

  1. Joos Vijd
  2. Johannes de Doper (als standbeeld in grisailletechniek)
  3. Johannes de Evangelist/Apostel (als standbeeld in grisailletechniek). In 1934 gestolen en teruggevonden.
  4. Elisabeth Borluut

Open

Alle aandacht wordt getrokken naar het grote centrale paneel. In een groen landschap speelt zich de hemelse liturgie af rond het Lam Gods, Jezus Christus. Centraal, op een kleine groene hoogte staat een altaar en op het altaar het Lam.

De aanbidding van het Lam Gods (open)
De aanbidding van het Lam Gods (open)

Open – boven

  1. Adam (daarboven het offer van Kaïn en Abel)
  2. Zingende engelen
  3. Maria
  4. God op de troon
  5. Johannes de Doper
  6. Musicerende engelen
  7. Eva (daarboven de moord van Kaïn op Abel)

Open – onder

  1. Rechtvaardige Rechters. In 1934 gestolen en niet teruggevonden.
  2. Ridders van Christus
  3. De Aanbidding van het Lam
  4. Kluizenaars
  5. Pelgrims op bedevaart

De opdrachtgevers

Joos Vijd (1360-1439)
Joos Vijd (1360-1439)
Elisabeth Borluut (ovl. 1443)
Elisabeth Borluut (ovl. 1443)

De schilders

Hubert van Eyck. Zuid-Nederlandse paneelschilder (geboren ca. 1370 in Maaseik en overleden op 18-09-1426 in Gent), vermoedelijk broer van Jan van Eyck. Men neemt vaak aan dat Jan en Hubert van Eyck hebben samengewerkt. Hiervan zijn echter geen schriftelijke bewijzen bewaard gebleven. Zodoende valt moeilijk vast te stellen welke werken precies van Hubert zijn.

Waarschijnlijk heeft Hubert niet meegewerkt aan Het Lam Gods. Op het werk staat weliswaar een opschrift dat vermeldt dat Hubert eraan begonnen is en dat Jan het heeft voltooid. Maar dat is er pas in later tijd opgeschreven.

Jan van Eyck. Nederlandse boekversierder en paneelschilder (geboren ca. 1390 in Maaseik bij Maastricht en begraven 09-07-1441 in Brugge). Vermoedelijk is hij de broer van Hubert van Eyck. Jan van Eyck werd met zijn werk de grondlegger van de realistische Nederlandse paneelschilderkunst. Dank zij overgeleverde berichten en gesigneerde panelen is er over hem meer bekend dan over zijn broer Hubert. Zijn hoofdwerk is het Lams Gods.

Hubert van Eyck (1366-1426)
Hubert van Eyck (1366-1426)
Jan van Eyck (1390-1441)
Jan van Eyck (1390-1441)

Meestal gaat men ervan uit dat de compositie van Hubert is, maar dat het stuk na diens dood door Jan is overschilderd en in zijn huidige vorm is gebracht. Omdat het opschrift, dat zowel Hubert als Jan vermeldt, niet oorspronkelijk is en de stijl van de verschillende panelen zo’n grote eenheid vertoont dat een twee schilder naast Jan ondenkbaar is, is het onmogelijk het werk van Hubert te identificeren en te bepalen. In 1442 of 1443 trouwt Jan van Eyck met Margaretha van Eyck.

Diefstal 1934

In 1934 worden de panelen van De Rechtvaardige Rechters en van St. Jan de Doper gestolen. Het tweede paneel wordt spoedig teruggevonden.

Het lege kader (in zwart/wit)
Het lege kader (in zwart/wit)
Het lege kader (in kleur)
Het lege kader (in kleur)
  • Johannes de Doper
    • Plaats in het veelluik: Gesloten – onder – 2
    • Gestolen: 11-04-1934
    • Teruggevonden: 29-05-1934
  • Rechtvaardige rechters
    • Plaats in het veelluik: Open – onder – 1
    • Gestolen: 11-04-1934
    • Teruggevonden: Niet

Deze twee panelen zijn de voor- en achterkant uit hetzelfde kader. 

Rechtvaardige rechters

Rechtvaardige rechters origineel (overschilderd)
Rechtvaardige rechters origineel (overschilderd)
Rechtvaardige rechters kopie (na restauratie)
Rechtvaardige rechters kopie (na restauratie)

Het paneel de Rechtvaardige Rechters meet 149 cm bij 55 cm. 

Tijdlijn

942-1150

  • De Bisschop van Doornik en Noyon (Transmarus) zou op de plaats van de huidige Sint-Baafskathedraal in 942 een kerkje gewijd hebben aan de heilige Johannes de Doper. Van de hierop volgende Romaanse kerk, die dateert van het midden van de 12e eeuw, zijn nog sporen terug te vinden in de muurschilderingen van de crypte.

1390 (uiterlijk 1392)

  • Het huwelijk tussen Joos Vijd (1360-1439) en Elisabeth Borluut (overleden 05-05-1443). Joos Vijd (1360-1439) kwam van het Land van Beveren. Het echtpaar ging wonen in Gent op de Hoogpoort in huis ‘De Pijl’.

1397

  • In 1397 verhuisden Joos en Elisabeth naar de Abdij Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Duinen in Koksijde.

1420

  • Rond 1420 financierden ze de nieuwbouw van een travee en een kranskapel in de Sint-Janskerk in Gent.

1424

  • Joos Vijd (1360-1439) is nauw betrokken bij de kerk. Voor een vermogend man als Vijd is het niet bijzonder dat hij in een kerk een eigen kapel (Vijdkapel) liet bouwen, al maakte hij voor de operatie wel heel veel goederen te gelde. De grootsheid van de onderneming valt wellicht te verklaren doordat het echtpaar kinderloos is. Vijd moet geweten hebben dat de vruchtbare leeftijd van zijn vrouw voorbij is en enigszins gekweld zijn geweest door het besef dat de recent geadelde familie met hem zou uitsterven.
  • Opdracht van Joos Vijd (1360-1439) aan Hubert van Eyck (1366-1426) om een altaarstuk (veelluik) te schilderen.

1426

  • Overlijden Hubert van Eyck (1366-1426). Het werk komt stil te liggen. Hij overleed terwijl hij aan het Lam Gods werkte en is vermoedelijk begraven in de crypte van de Vijdkapel, waar zijn werk moest komen. De humanist Hiëronymus Münzer bezocht de plek in 1495 en maakte melding van een grafsteen voor het altaar. Ook Lucas de Heere vermeldde de steen in 1559 en volgens Marcus van Vaernewijck (1565) kon men erop staan. De afgesleten grafsteen is bewaard in het Museum voor Stenen Voorwerpen in Gent. Al sinds de Gentse republiek is de koperen plaat die er op zat verdwenen, maar dankzij Van Vaernewijck en zijn ‘Spieghel der Nederlandscher Audheyt’ uit 1568 kennen we het opschrift.

1430-1432

  • Jan van Eyck (1390-1441) maakt het werk van zijn broer Hubert van Eyck (1366-1426) af.

1432

  • Het veelluik, opgebouwd uit 20 eikenhouten panelen, wordt ingewijd in de Sint-Janskerk te Gent.
  • 06-05-1432: Het veelluik wordt voor het eerst opgesteld in de Vijdkapel van Joos Vijd (1360-1439) en Elisabeth Borluut (overleden 05-05-1443).
1433
  • In 1432 of 1433 trouwt Jan van Eyck (1390-1441) met Margaretha van Eyck. Over haar is weinig bekend.

1435

  • Joos Vijd (1360-1439) en Elisabeth Borluut (overleden 05-05-1443) richten een stichting (fundatie) op, die hun zielenheil moest verzekeren door dagelijks een mis te doen opgedragen in de Vijdkapel.

1439

  • Overlijden Joos Vijd (1360-1439) in Gent. Ca. 79 jaar oud. Waarschijnlijk is Vijd, net als zijn vader Clais, begraven in het kartuizersklooster Koningsdal in Rooigem. In de Gentse Vijdkapel is alleen zijn wapenschild te zien op de sluitsteen (en vroeger ook in de brandglasramen).

1441

  • 09-07-1441: Overlijden Jan van Eyck (1390-1141) in Brugge. Hij is begraven op het kerkhof van de Sint-Donaaskerk in Brugge.

1442

  • Een jaar later heeft Lambert van Eyck (1431-1442) het lichaam van zijn broer Jan van Eyck (1390-1441) overgebracht naar het koor van de kerk (notitie van 21-03-1442). Op de grafplaat stond: Hier licht Mr. Joannes de Eijcke den alderconstichsten meester van schilderije die in dese Nederlanden gheweest heeft.

1443

  • 05-05-1443: Overlijden Elisabeth Borluut (4 jaar na haar man). Ze is begraven in de familiekapel van de Borluuts in het Augustijnerklooster in Gent. Op een koperen vloerplaat waren wapenschilden afgebeeld en het volgende opschrift:Hier licht begraven joncvrauwe Lysabette Borluut, Joos Vyts wijf was, die overleet deser werelt int jaer Ons Heeren als men screef M.CCCC.XLIII, den V dagh in meye. Resquiescat in pace
    Uit het feit dat ze niet met haar man is begraven, wordt soms een slechte onderlinge verstandhouding afgeleid. Hoewel zo’n scheiding in de dood zeker uitzonderlijk mag worden genoemd, gaat deze gevolgtrekking te ver. De echtgenoten waren in elk geval voldoende in harmonie om samen een uitgebreid religieus project als de Vijdkapel tot stand te brengen. Ook zal hun symbolische vereniging in de Vijdkapel (op het altaarstuk, op de sluitsteen en vroeger ook in de brandglasramen), alsmede in de Gentse en Beverse dodenmissen, hun keuze voor afzonderlijke laatste rustplaatsen enigszins hebben verzacht.
1500
  • In de 16e eeuw worden grote delen van het veelluik overschilderd. Deze worden verwijderd vanaf 2012.

1536

  • In 1536 is op bevel van keizer Karel V de eeuwenoude Sint-Baafsabdij opgeheven, het merendeel van de abdij is na de Gentse opstand in 1540 gesloopt en omgebouwd tot kazerne. De abt en monniken van deze abdij worden geseculariseerd en kregen de titel van kanunnik. Hun kapittel ging over naar de Sint-Janskerk die vanaf dan Sint-Baafskerk wordt genoemd.

1550

  • De kerk is in de loop van de 15e en 16e eeuw omgebouwd in de gotische stijl. Ongeveer in het midden van de 16e eeuw had het gebouw de vorm die het nu nog heeft.

1559

  • Het bisdom Gent is in 1559 opgericht en de kerk wordt de Sint-Baafskathedraal. Onder de lange rij van herders van het bisdom Gent moet zeker de figuur van de zevende bisschop, Antonius Triest, vermeld worden. Het rijke, barokke interieur van de kathedraal zoals we die nu nog zien, draagt zijn krachtige stempel.

1566

  • Tijdens de beeldenstorm wordt het veelluik in de toren verborgen.

1574

  • Het stadsbestuur van Gent wil het veelluik aan koningin Elizabeth I van Engeland schenken. Door verzet van de kerk ziet men hier echter van af.

1640 of 1641

  • Brand in de Sint-Baafskathedraal. Het veelluik blijft gespaard.

1781

  • Verwijdering van de twee zijpanelen ‘Adam’ en ‘Eva’ voor het bezoek van Jozef II.

1794

  • Franse soldaten nemen de centrale panelen mee naar Parijs, de zijpanelen worden verborgen.

1815

  • Bij de val van Napoleon gaan de centrale panelen uit Parijs terug naar de Sint-Baafskathedraal in Gent.

1816

  • De zijpanelen (uitgezonderd de panelen ‘Adam’ en ‘Eva’) worden gekocht door Frederik Willem III en tentoongesteld in de Gemäldegalerie van Berlijn.

1822

  • Brand in de kathedraal. Schade aan de centrale panelen, in het bijzonder een barst in het centrale paneel ‘De Aanbidding van het Lam’. Er komt as en gesmolten lood terecht op dit centrale paneel.

1826

  • Het centrale paneel barst door de droogte tijdens de zomer doordat het te vast in de lijst gespijkerd zit.

1861

  • Verkoop van de panelen ‘Adam’ en ‘Eva’ aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België.

1894

  • In Berlijn worden zes zijpanelen met de lijsten doormidden gezaagd en geparketteerd.

1914

  • Het veelluik wordt verstopt voor de Duitse inval.

1920

  • Alle panelen worden worden weer verenigd als uitvoering van een clausule uit het Verdrag van Versailles.
  • Art 247: Germany undertakes to deliver to Belgium, through the Reparation Commission, within six months of the coming into force of the present Treaty, in order to enable Belgium to reconstitute artistic work: The leaves of the triptych of the Mystic Lamb painted by the Van Eyck brothers, formerly in the Church of St. Bavon at Ghent, now in the Berlin Museum).

1934

  • 10-04-1934 (dinsdagavond om 19:00 uur):  Het Lam Gods wordt zoals iedere avond door de afgedekt met een gordijn tegen de vleermuizen. De kerk wordt afgesloten door de kerkbedienden Oscar Van Bouchaute en Alfons Hebberecht.
  • 10-04-1934 Volgens een verklaring zou er om 23:11 uur een auto zijn waargenomen in de buurt van de kathedraal.
  • 11-04-1934 (woensdagochtend, 5:25 uur): De deur van de kerk staat open. Oscar Van Bouchaute opent het veelluik (via een koort aan de zijkant) en ziet dat de panelen ‘De Rechtvaardige Rechters’ en ‘Johannes de Doper’ zijn gestolen.
  • Start van het politieonderzoek. Er zijn geen aanknopingspunten. Er zijn geen vingerafdrukken en ook geen getuigen.
  • 24-04-1934: Arsène Goedertier neemt 1.600 Franc op van de bank.
  • 28-04-1934: Een zekere Arsène Van Damme (later zou blijken dat dit een valse naam was voor Arsène Goedertier) huurde een schrijfmachine in de zaak Ureel gevestigd in de Vlaanderenstraat 38 in Gent. Het gaat om een een draagbare Royal-schrijfmachine. Daarvoor moest hij een borg van 1.500 frank geven. Goedertier gebruikt hiervoor waarschijnlijk zijn vals paspoort. Het zou gaan om een periode van één maand.
  • 30-04-1934: Eerste brief verzending. Vanaf postkantoor Antwerpen 12.
  • 01-05-1934: Eerste brief ontvangst. Afzender D.U.A. Tussen de brieven die het bisdom krijgt met allerhande ‘inlichtingen’, komt er op 1 mei ook een lichtgroene briefomslag aan van het meest gebruikelijke formaat, geadresseerd aan Monseigneur Honoré Coppieters, de bisschop van Gent. De enveloppe bevat een getypte brief, ondertekend met de initialen D.U.A. De schrijver beweert in het bezit te zijn van de twee panelen, en als blijk van goede wil stelt hij voor om het paneel van Sint-Jan de Doper terug te geven. Het enige wat de bisschop hiervoor moet doen is een advertentie plaatsen in het Franstalige liberale dagblad La Dernière Heure . Voor het paneel van de Rechtvaardige rechters eist D.U.A. echter de som van één miljoen frank. Deze brief wordt pas op 7 mei aan de Gerechtelijke Politie overhandigd. Na overleg besluit men om in La Dernière Heure een advertentie te plaatsen, maar niet de gewenste. Aldus verschijnt er in dit dagblad op 14 en 15 mei de volgende melding: “D.U.A. Overdreven voorstel.”.
  • 07-05-1934: Gerechtelijke politie ontvangt de brief via het bisdom.
  • 14-05-1934: Eerste advertentie van het bisdom in de krant.
  • 15-05-1934: Tweede advertentie.
  • 19-05-1934: Tweede brief verzending. Vanaf postkantoor Brussel 1. Naar het bisdom.
  • 20-05-1934: Tweede brief ontvangst. Het antwoord van D.U.A. is er snel: op 20 mei ontvangt het bisdom opnieuw een lichtgroene enveloppe. D.U.A. schrijft dat zijn voorstel helemaal niet overdreven is en dreigt ermee om stukjes van het paneel van Sint-Jan de Doper op te sturen indien niet op zijn voorstellen wordt ingegaan. Dit willen het gerecht en het bisdom te allen prijze vermijden, en daarom wordt op 25 mei in La Dernière Heure het volgende antwoord geplaatst: “D.U.A. In akkoord met de betrokken instanties aanvaarden wij uw voorstellen volledig”. Bij deze brief steekt nog een tweede blad waarop staat de bisschop een commissieloon van 5 % krijgt uitgekeerd omdat D.U.A. deze zaak “bijna als een commerciële zaak” wil afhandelen.
  • 26-05-1934: Derde advertentie. In La Dernière Heure.
  • 28-05-1934: Derde brief verzending. Vanaf postkantoor Noordstation Brussel.
  • 29-05-1934: Derde brief ontvangst. Opnieuw komt het antwoord van D.U.A. vlug, namelijk op 29 mei. Wederom is het een lichtgroene enveloppe zodat de brief snel wordt opgemerkt tussen de andere brieven. Dit keer bevat de enveloppe niet alleen een getypte brief, maar ook een depotbiljet van het bagagecentrum van het Noordstation in Brussel. Afhaalbewijs nummer 8178. Commissaris Luysterborgh, kanunnik Standaert en drie agenten van de Brusselse Gerechtelijke Politie spoeden zich op 29 mei met het depotbiljet naar het Noordstation en krijgen daar een groot pak, in bruin papier gewikkeld, met ongeveer de afmetingen van het paneel. In het Brusselse Justitiepaleis openen ze het pak waaruit het paneel van Sint-Jan de Doper tevoorschijn komt. Het is gewikkeld in zwart wasdoek en ongeschonden.
  • 31-05-1934: Vierde brief verzending. Vanaf postkantoor Antwerpen 6.
  • 31-05-1934: Artikel in L’Indépendance Belge 
  • 01-06-1934: Vierde brief ontvangst. Op 1 juni komt er opnieuw een brief van D.U.A. op het bisdom aan. Daarin vertelt hij dat hij het geld voor de Rechtvaardige Rechters zal ophalen bij Hendrik Meulepas, de pastoor van de Antwerpse Sint-Laurentiuskerk. Jammer genoeg verschijnt er op 31 mei in L’Indépendance Belge een artikel waarin gewag wordt gemaakt van de vondst van Sint-Jan de Doper. De geheimhouding waarop D.U.A. aangedrongen heeft is op die manier verbroken. De onderzoekers proberen de brokken te lijmen door in La Dernière Heure de volgende regel te laten publiceren: “D.U.A. Brief ontvangen, ingevolge indiscreties enkele dagen geduld.”.
  • 04-06-1934: Vijfde brief verzending. Vanaf postkantoor postkantoor Wilrijk.
  • 04-06-1934: Vijfde brief ontvangst. Opnieuw volgt een spoedig antwoord van D.U.A. De briefschrijver laat weten dat hij de indiscreties betreurt, maar dat hij verder wil gaan met de transactie op voorwaarde dat deze zin in La Dernière Heure gepubliceerd wordt: “A.N.S. Volstrekte belofte dat geheim zal worden bewaard. Handel volkomen onbezorgd.”. Merkwaardig is dat hij de initialen in deze zin wijzigt, maar toch blijft ondertekenen met D.U.A. Bij het bisdom besluit men te doen alsof deze brief nog niet aangekomen is, en in La Dernière Heure valt op 7 juni te lezen: “D.U.A. Pakje zal zaterdag 9 juni overhandigd worden.”
  • 04-06-1934: Vierde advertentie.
  • 07-06-1934: Vijfde advertentie.
  • 09-06-1934: Zesde brief verzending. Vanaf postkantoor Brussel 1.
  • 09-06-1934: Zesde brief ontvangst. Vooraleer het pakje zou overhandigd worden bereikt er echter nog een D.U.A.-brief het bisdom, waarin de vorige brief bevestigd wordt en geëist dat de gevraagde zin “A.N.S. Volstrekte belofte dat geheim zal worden bewaard. Handel volkomen onbezorgd.” in La Dernière Heure zou gepubliceerd worden. Om de onderhandelingen nu niet te laten afspringen besluiten de onderzoekers op zijn brief in te gaan, en wordt op 13 juni de zin gepubliceerd.
  • 13-06-1934: Zesde advertentie. Publicatie van de aanvullende zin.
  • 13-06-1934: Brief die Goedertier aan zichzelf verzonden heeft met ondertekening de A.M.D.G. (AMDG). Gevonden na zijn dood. Dit briefje heeft Goedertier waarschijnlijk aan zichzelf gestuurd om zichzelf een alibi te bezorgen bij een eventuele arrestatie bij de afhaling, de afhaling zou moeten gebeuren in opdracht van een familie met aanzien, nemen we nu aan dat Goedertier in dit briefje enkele aanwijzingen stopte zoals het eerder besproken “coupe-file” dan nemen we uit dit briefje nog enkele dingen over en gaan ernaar op zoek in de Bisschopskapel: Mijnheer, Daar ik sinds lang uw karakter van goed mens ken, veroorloof ik mij u te verzoeken mij te willen helpen bij de overbrenging van een bundeltje familiedocumenten en brieven, waarvan de eer van een familie, waarvoor u veel achting hebt, afhangt. De dienst die ik u vraag, is niet moeilijk uit te voeren. Het gaat er alleen om bij de eerw. Heer pastoor van de St.Laurentiuskerk, Markgravelei 95 te Antwerpen, een klein pakje af te halen en het te overhandigen, zonder u bekend te maken, aan de pastoor van de Finistère-kerk in Brussel. In Antwerpen zal niemand uw adres vragen en het zal volstaan dat u bijgaande briefomslag aanbiedt. U dient dus eenvoudig als ‘vrijgeleide’ bij de overbrenging. In de overtuiging dat u deze hulp niet zult weigeren aan een familie in nood, veroorloof ik mij hierbij de som van tweehonderd frank te voegen voor het dekken van de onkosten. Na het beëindigen van deze belangrijke zaak, zal ik u een geschenk laten geworden dat u aangenaam zal herinneren aan uw christelijke tussenkomst. Gelieve te aanvaarden, mijnheer, mijn gevoelens van hoogachting. A.M.D.G.
  • 14-06-1934: Een taxichauffeur gaat naar de pastorie van Meulepas. Meulemans is dan niet aanwezig en moet gehaald worden. De man overhandigt nietsvermoedend een gesloten envelop met de boodschap dat hij een pakje moet afhalen. In de envelop zit een afgescheurde krantenpagina die perfect past bij de halve pagina die de dader(s) eerder had(den) opgestuurd. Meulepas geeft de chauffeur daarop het pakje met het geld. De man neemt het aan en verdwijnt. Er was geen politie aanwezig.
  • 18-06-1934: Zevende brief verzending. Vanaf postkantoor Brussel 1.
  • 18-06-1934: Zevende brief ontvangst. Enkele dagen na de overhandiging van het geld ontvangt de bisschop een nieuw schrijven. D.U.A. stelt dat hij ontgoocheld is dat er slechts 25.000 Franc is overhandigd. Het is veeleer een klaagzang, die bulkt van het zelfmedelijden. Van de zelfverzekerde toon uit al de vorige brieven blijft maar zeer weinig meer over. De onderzoekers laten op 21 juni via de gebruikelijke weg het bericht publiceren dat ze de brief ontvangen hebben, maar dat ze onmogelijk met een miljoen over de brug kunnen komen.
  • 21-06-1934: Zevende advertentie.
  • 05-07-1934: Achtste brief verzending. Vanaf postkantoor Brussel 1.
  • 05-07-1934: Achtste brief ontvangst. In de achtste brief is er niet veel meer te merken van de wanhoop uit het vorig schrijven. D.U.A. lijkt eerder te berusten in de situatie. Hij halveert bovendien het losgeld voor de Rechtvaardige Rechters tot 500.000 Franc. Dat de resterende 400.000 Franc alsnog zouden betaald worden na de restitutie van het paneel kan geen redelijk mens geloven. De onderzoekers besluiten dit keer koppig te zwijgen en niets in La Dernière Heure te plaatsen.
  • 23-07-1934: Negende brief verzending. Vanaf postkantoor Gent 1.
  • 23-07-1934: Negende brief ontvangst. Op 23 juli wordt er door D.U.A. een nieuwe brief gepost. Veel nieuws is er niet in te lezen. Het blijkt echter steeds meer dat hij niet meer hoopt om nog tot een oplossing te komen. Er wordt stevig gediscussieerd tussen het gerecht en het bisdom over hoe het nu verder moet. De bisschop is geneigd om de nodige centen neer te tellen, maar minister van Justitie Janson is ervan overtuigd dat ‘gangsters’ geen wetten te stellen hebben. Men besluit om in La Dernière Heure het volgende te laten invoegen: “D.U.A. Handhaven laatste voorstel”.
  • 27-07-1934: Achtste advertentie.
  • 02-08-1934: Tiende brief verzending. Vanaf postkantoor Brussel 1.
  • 03-08-1934: Tiende brief ontvangst. Op 3 augustus komt het antwoord aan op het bisdom. In deze brief komen geen nieuwe elementen aan bod. D.U.A. laat uitschijnen dat hij het hele zaakje grondig beu is, en dat hij zo snel mogelijk een oplossing wil. Op deze brief wordt op geen enkele manier gereageerd.
  • 07-09-1934: Elfde brief verzending. Vanaf postkantoor Brussel 1.
  • 08-09-1934: Elfde brief ontvangst. De volgende brief komt aan op 8 september. Deze brief is voor het eerst (en ook voor het laatst, zoals later zou blijken) niet met de gebruikelijke initialen ondertekend. Er wordt zelfs helemaal niet ondertekend. Wat ook opvalt aan deze brief is dat er voortdurend in de derde persoon enkelvoud wordt geschreven, terwijl D.U.A. het in de voorgaande brieven steeds had over ‘je’ en ‘nous’. De schrijver verzekert dat het paneel nog steeds niet vernietigd is, en dat het nog steeds op dezelfde plaats aanwezig is. Zowel bisdom als gerecht wensen in geen geval dat de verbinding met D.U.A. verbroken wordt, en laten in La Dernière Heure plaatsen dat ze de brief ontvangen hebben, maar dat ze hun vorig voorstel handhaven.
  • 13-09-1934: Negende advertentie.
  • 20-09-1934: Twaalfde brief verzending. Vanaf postkantoor Brussel 1.
  • 20-09-1934: Twaalfde brief ontvangst. De twaalfde brief is er een waarin de gevoelens van ontgoocheling over de niet nagekomen beloften sterk naar boven komen. Tussen de lijnen door valt er zelfs wat spijt te bespeuren. Op deze brief wordt noch door het bisdom, noch door het gerecht gereageerd.
  • 01-10-1934: Dertiende brief verzending. Vanaf postkantoor Brussel 1.
  • 01-10-1934: Dertiende brief ontvangst. Laatste brief. In de laatst verstuurde brief komen spijt, wroeging en schuldgevoel zeer sterk naar boven. Het bisdom en het gerecht menen dat zij niet hoeven te antwoorden, in de overtuiging dat D.U.A. nog brieven zou schrijven. Er zouden echter geen brieven meer volgen.
  • 10-10-1934: De schrijfmachine wordt in depot gegeven.
  • 25-11-1934: In een café in Dendermonde (een dorpje vlak bij Gent) vindt een politieke bijeenkomst plaats. Aanwezig is ook de 57-jarige Arsène Goedertier (1876-1934). Hij is geldwisselaar in Wetteren (een plaatsje tussen Dendermonde en Gent) en voormalig koster aldaar met politieke ambities. Aan het einde van de avond krijgt Arsène Goedertier in het café een hartaanval. Er wordt besloten om hem naar het huis van zijn zwager te brengen die om de hoek van het café woont. Daar aangekomen zegt Goedertier dat hij zijn advocaat en goede vriend Georges (Joris) de Vos onder vier ogen wil spreken.
  • 25-11-1934: Hij vraagt niet om een priester voor het laatste sacrament. Er verschijnt wel een priester aan zijn sterfbed maar Goedertier stuurt hem weer weg. ‘Mijn geweten is gerust‘, zegt hij.
  • Volgens de Vos, die als enige bij Goedertier aanwezig was in diens laatste minuten, verklaarde de stervende Arsène dat hij de enige was die de bergplaats kende. Hij was hij niet meer bij machte om die bergplaats bekend te maken. Wel verwees hij volgens de advocaat nog naar documenten die verborgen waren in zijn huis in Wetteren.
  • In het huis van Goedertier vindt de Vos o.a. een handgeschreven kladversie van een veertiende brief (die niet verzonden was). Er staat dat het paneel goed verstopt is op een publieke plaats waar niemand het zomaar ongezien zou kunnen onthullen. Onderaan pagina 4 van de brief staat helemaal aan het einde een code die bestaat uit:
    1. Regels met cijfers en streepjes
    2.  Woorden en een getal:
        • Nina
        • arte
        • oiseau
        • 152
        • Jean
        • de letters er?
  • De Vos gaat niet naar de politie. Hij start zelf met een aantal vrienden bij de plaatselijke rechtbank een geheim onderzoek dat een maand duurt.
  • 11-12-1934: De schrijfmachine wordt in het bagagedepot van het Sint-Pietersstation aangetroffen. Merk Royal, nummer 66882.
  • 27-12-1934: De Vos gaat alsnog met de brieven naar de politie. Commissaris van politie is Luysterborgh.
  • Het Belgische politieonderzoek wordt gecoördineerd vanuit Dendermonde terwijl de diefstal plaats vindt in Gent. De Vos wordt niet ondervraagd door de Belgische politie. De vrouw van Goedertier, de dokter en de pastoor worden ook niet meteen ondervraagd. Het bisdom wordt niet meteen ingelicht.
  • Hoewel Goedertier in eerste instantie als de dief werd aangemerkt, ontstond er na enige tijd twijfel. Een reconstructie in 2006 toonde definitief dat Goedertier, die klein was gebouwd, van middelbare leeftijd en nachtblind was, fysiek onmogelijk de diefstal van het kunstwerk uit een hoog altaarstuk in een donkere kathedraal kon hebben gepleegd. Dit sloot echter niet uit dat hij het brein erachter was geweest of op een andere manier erbij betrokken was.
  • Anderen sluiten niet uit dat de belastende documenten mogelijk na de dood van Goedertier heimelijk in diens kantoor zijn verborgen zodat hij als zondebok kon worden aangewezen. Mogelijk is de Vos er achter gekomen wie er achter de diefstal zit. In ieder geval begint de Vos meteen na het voorval uit het niets aan een schitterende politieke carrière voor de Katholieke Partij (In 1936 heeft hij een senaatszetel).
  • Volgens zijn weduwe zouden Arsene Goedertier en zijn broer gezegd hebben dat zij het paneel zelf zouden zoeken rond de kathedraal.
  • Het paneel ‘De Rechtvaardige Rechters’ is nog altijd (2021) niet gevonden.

1939

  • In 1939 begint Jef Van der Veken aan een kopie waarbij één van de Rechtvaardige Rechters het gezicht krijgt van koning Leopold III (om verschil met oorspronkelijk paneel te maken, geen vervalsing dus). Hij werkt naar een kopie van Michiel Coxie uit de 16de eeuw en werkt in de kathedraal om voortdurend kleur vergelijkingen te maken met andere panelen van het Lam Gods.

1940

  • In 1940 worden alle panelen (uitgezonderd de Rechtvaardige Rechters, waaraan Van der Veken nog werkt’ samen met nog 69 andere schilderijen uit musea overgebracht naar het kasteel van Hendrik IV van Frankrijk in Pau om ze te beschermen tegen Duitse bombardementen (ook het schilderij van Coxie?)
  • Een eerste verhoor van de Vos (door de Duitse bezetters).

1942

  • Duitse troepen nemen het veelluik mee uit Pau voor Hitlers geplande kunstencentrum in Linz om later deel uit te maken van de Linzer Sammlung.
  • Hitler stuurt een SS-er naar Gent om het ontbrekende paneel te vinden. Deze begint een politie onderzoek en komt tot de conclusie dat de dieven uit de kerkelijke kringen komen en dat Goedertier niet de dief is.

1944

  • 13-03-1944 Briefje van de pastoor van Steendorp aan de Bisschop waarin beschreven staat hoe de weduwe van Goedertier (Julienne Minne) haar erfenis wil verdelen. Ze laat 25.000 Franc na aan het bisdom als vergoeding voor 25.000 Franc die de Bisschop betaald zou hebben van het losgeld. (bron: Archief Albert Van Petegem, 1916-2004)

1945

  • 08-05-1945: Het Derde Amerikaanse Leger vindt het intacte veelluik terug in de zoutmijnen van Altaussee bij Salzburg (Oostenrijk) met weinig schade door de constante temperatuur van 7 °C en relatieve vochtigheidsgraad van 70%.
  • Begin augustus 1945: Transport van het veelluik naar het Munchen Collection Point of the Monuments, Fine Arts and Archives Section.
  • 20-08-1945: De panelen gaan per vliegtuig van Munchen naar Brussel en worden opgeslagen in het Koninklijk Paleis.
  • 30-10-1945: Het veelluik keert terug naar de Sint-Baafskathedraal in Gent.
  • 06-11-1945: Weer te bezichtigen door het publiek.

1951

  • Restauratie met aanbrengen van een vernislaag.

1986

  • Het veelluik wordt geplaatst in de Villakapel, de vroegere doopkapel. Het komt in een kogelvrije zwaarbeveiligde glazen kooi.

2012

  • Start van een grootschalig restauratieproject in het Museum voor Schone Kunsten van Gent. Verwijderen van de overschilderingen uit de 16e eeuw. Fase 1 van de restauratie.

2017-2020

  • Restauratie van vier panelen. Verwijderen van overschilderingen uit de 16e eeuw. Fase 2 van de restauratie.

2020

  • van Eyckjaar. Het van Eyck jaar is verlengd tot 1-06-2021 als gevolg van de Corona pandemie.
2021
  • 25-03-2021: Opening van het Bezoekerscentrum in de Sint-Baafskathedraal. Het Lams Gods is een paar dagen eerder verhuisd naar deze beveiligde en uitgelichte ruimte.
  • Het Lam Gods staat opgesteld in de Sacramentskapel (recht achter het Hoogaltaar).
  • De vitrine is geklimatiseerd, 6 meter hoog en 100 kubieke meter groot.
  • Het schilderij hangt aan een stalen draagstructuur, die pneumatisch gestuurd is om de beweging van de zijpanelen mogelijk te maken zonder dat iemand in de vitrine moet binnengaan.
  • Elke ochtend en avond wordt het veelluik langzaam geopend en gesloten.
  • Er zijn grote inbraakveilige deuren waardoor de houten panelen bij rampen kunnen worden geëvacueerd.
  • Het felle licht doorheen de glas-in-lood ramen kan met gordijnen afgeschermd worden, zodat de bezoekers onder ideale omstandigheden kunnen genieten van alle details van het kunstwerk.
  • 14-10-2021: Duidelijk welke Van Eyck welk deel schilderde. Zie Volkskrant 14-10-2021.
Duidelijkheid welke Van Eyck welk deel schilderde (14-10-2021)
Duidelijkheid welke Van Eyck welk deel schilderde (14-10-2021)
2021-2024
  • Restauratie het bovenste gedeelte. Verwijderen van overschilderingen uit de 16e eeuw. Fase 3 van de restauratie.
2024
  • Planning afronding restauratie.
Sint-Baafskathedraal
Sint-Baafskathedraal

Wetenswaardigheden

  • Het altaarstuk is ongeveer zo groot als de Nachtwacht.
  • Goedertier heeft o.a. in de buurt van de Sint-Laurentiuskerk in Antwerpen gewoond.

Meer informatie

Spelling op deze site

  • Vijdkapel, Villakapel (hoofdletter en aan elkaar)
  • kranskapel, familiekapel, doopkapel (kleine letter en aan elkaar)
  • het paneel ‘Adam’ (naam tussen enkele aanhalingstekens)
  • Sint-Janskerk, Sint-Baafskerk, Sint-Baafskathedraal
  • is (geen was), wordt (geen werd), worden (geen werden)
  • bisdom (kleine letter)
  • van Eyck (kleine v), de Vos (kleide d)
  • Franc met een hoofdletter en een c
  • Bedrag met punt na het duizendtal. Dus 1.500 Franc

Meisjes met parasol op het strand, Viareggio

Isaac Lazarus Israëls (Amsterdam, 3 februari 1865 – Den Haag, 7 oktober 1934) was een van de voornaamste Nederlandse schilders uit de groep van Amsterdamse Impressionisten. Naast zijn schilderwerk was hij tekenaar en aquarellist en maakte hij pastels, etsen en litho’s.

De jonge Isaac werd al op zijn dertiende van school genomen door zijn ouders en al vroeg opgeleid in het atelier van zijn vader, Jozef Israëls, een van de oudere meesters van de Haagse School. Hij volgde enkele jaren de academie in Den Haag, van 1880 tot 1882. Hij bleef verder autodidact, naast zijn vader. In 1880 schilderde hij al zijn vroege werken als De schermles, De militaire stal en de Militaire begrafenis en debuteerde met De repetitie van het signaal op de Tentoonstelling van Levende Meesters in Den Haag. Het schilderij werd, nog voor het af was, gekocht door Hendrik Willem Mesdag. In 1882 ontving hij een eervolle vermelding voor Militaire Begrafenis op de Salon des Artistes Français van Parijs. In 1886 studeerde hij nog korte tijd aan de Rijksacademie Amsterdam, waar hij werd weggestuurd omdat hij inmiddels volleerd was.

Meisjes met parasol op het strand, Viareggio
Meisjes met parasol op het strand, Viareggio

Meisjes met parasol op het strand, Viareggio, olieverf op doek 50,4 x 40,5 cm, gesigneerd rechtsonder en te dateren 1923-1934,

Isaac maakte in Amsterdam kennis met het mondaine stadsleven en ontmoette er George Breitner en Willem de Zwart. Hij werd een schilder van het turbulente nachtleven met een vrije, zwierig impressionistische toets. Met de Duitse schilder Max Liebermann werkte hij vaak samen in Scheveningen. Geïntroduceerd door Thérèse Schwartze wijdde hij zich eveneens aan motieven met mannequins en naaistertjes uit de modewereld.

In de zomer van 1903 verbleef Israëls in Parijs. Een jaar later verhuisde hij naar de Franse lichtstad, waar hij onder de indruk kwam van Edgar Degas en van het werk van Henri de Toulouse-Lautrec. Hij had er zijn atelier op de Boulevard de Clichy. Hij schilderde er de specifiek Parijse motieven: het publiek in de parken, de cafés, cabarets en bistro’s, naast de circus- en kermisacrobaten. Ook hier beeldde hij het atelierleven uit bij de Franse couturière Jeanne Paquin. In 1908 en 1909 exposeert hij op de Parijse Salon.

Van 1913 tot 1915 verbleef hij in Londen. Hier waren het de ruiters op Rotten Row en de jonge danseresjes in de balletschool die zijn belangstelling kregen. In het voorjaar van 1915 reist hij naar Zwitserland, in juli naar Parijs, in augustus terug naar Londen en hij is eind september weer in Nederland.

Eind 1921 reisde Israëls naar Nederlands-Indië. Hij verbleef voornamelijk op Java, en wel in Batavia, Buitenzorg, Yogjakarta en Solo waar hij enige tijd aan het hof van de Mangkoenegara verbleef. Ook bezocht hij Bali samen met de familie Veth. Op 4 oktober 1922 scheepte hij zich weer in voor Nederland.

In 1923 keerde hij terug naar Den Haag. Hij ging voorgoed aan de Haagse Koninginnegracht 2 wonen, in het huis van zijn ouders, die eerder op Koninginnegracht nr. 6 woonden. In het koetshuis van nr. 2 hadden Isaac en zijn vader ieder een eigen atelier. De vader van Israëls overleed in 1911. In 1928 won Isaac op het kunsttoernooi van de Olympische Spelen een gouden medaille in de categorie schilderkunst met het werk Ruiter in roode rok (ook wel getiteld Ruiter met de rode jas, De rode rijder of De roode ruiter).

Israëls overleed thuis, op 7 oktober 1934, twee dagen nadat hij werd aangereden door een auto, waar hij geen uitwendige verwondingen door had opgelopen.

Zijn techniek, niet van Franse invloed gespeend, leidde tot de blijvende faam van de Amsterdamse Impressionisten.

La Seine à Argenteuil

La Seine a Argenteuil (1864)
La Seine a Argenteuil (1864)

Édouard Manet (Parijs, 23 januari 1832 – aldaar, 30 april 1883) was een 19e-eeuwse Frans kunstschilder en een sleutelfiguur in de overgang van het realisme naar het impressionisme. Zijn vroege meesterwerken, zoals Le déjeuner sur l’herbe en Olympia, waren controversieel en inspireerden een generatie jonge impressionistische schilders.

Jeugd

Manet kwam uit een Parijs bourgeois milieu. Zijn vader, Auguste, was rechter en zijn moeder, Eugénie-Desirée Fournier, was de peetdochter van de latere koning Karel XIV Johan van Zweden. Manet, die erg op zijn ouders gesteld was, schijnt een gelukkige jeugd gehad te hebben, maar hij had een hekel aan school en bleef één keer zitten. Op school leerde hij zijn trouwe vriend Antonin Proust kennen, die op enkele schilderijen is afgebeeld en in 1897 het boek Souvenirs de Manet (Herinneringen aan Manet) publiceerde. Hij was de oom van de schrijver Marcel Proust.

 

Zijn vader wilde dat hij ook rechten ging studeren, maar zelf wilde de jonge Manet kunstenaar worden. Hij werd hierin gestimuleerd door zijn oom Charles Fournier. Manets vader meende dat hij ook naar zee kon gaan en stuurde hem op zijn zestiende op een reis van een half jaar naar Rio de Janeiro. Manet vond het aan boord erg saai en zat dan ook uren achtereen te tekenen. Bij thuiskomst begon zijn carrière als schilder: hij schreef zich in januari 1850 samen met Proust in als leerling van Thomas Couture en als kopiist in het Louvre. In het Louvre en tijdens reizen naar Nederland en Italië bracht Manet veel tijd door met het kopiëren van oude meesters, die hem later ook vaak tot inspiratie dienden. 

Studietijd

Couture, die in 1847 naam had gemaakt met het gigantische doek Les Romains de la décadence, hield zich afzijdig van de officiële, competitiegerichte kunstacademies, de Écoles. Hij vond dat deze zich te veel op details richtten en probeerde zijn studenten het belang van spontaniteit en frisheid bij te brengen. Ook meende hij dat kunstenaars eenzame genieën waren, een romantisch idee dat veel jongeren aansprak. Niettemin had Manet, die toch zes jaar zijn leerling bleef, vaak aanvaringen met hem. Hoewel Manet het ook vakinhoudelijk dikwijls met Coutures lessen oneens was, heeft Couture toch veel invloed op hem gehad. Dit zou vooral gelden voor Manets Spaans georiënteerde werk (zie later). Naast de lessen van Couture bezocht Manet de Académie Suisse.

 

In 1849 begon Manet een verhouding met de Nederlandse Suzanne Leenhoff, toentertijd de pianolerares van zijn broers. In 1853 werd haar onwettige zoon Léon geboren, die daarna doorging voor haar jongere broer. Omdat Manet door zijn syfilis (zie onder) waarschijnlijk onvruchtbaar was, was hij vermoedelijk niet de biologische vader; mogelijk was Manets vader dat. Op 28 oktober 1863 trouwden Manet en Suzanne in Zaltbommel. Uit het huwelijk werden geen kinderen geboren. Manet heeft Suzanne en Léon enige malen geschilderd.

Manets cariere

Na zijn tijd bij Couture bood Manet zijn schilderij De absintdrinker uit 1859 aan aan de Salon, de belangrijke jaarlijkse kunsttentoonstelling. In die tijd waren er nauwelijks andere gelegenheden voor schilders om hun werk aan het publiek te tonen. De jury van de Salon weigerde het doek, ten eerste omdat het een dronken man toonde en ten tweede omdat delen ervan een onaffe en vage indruk maakten. Ook Couture vond het slecht.

Het doek toont al wat Manets voornaamste onderwerp zou zijn: het moderne Parijse leven. Manet was een flâneur, die vaak de trendy cafés frequenteerde, altijd keurig gekleed (er zijn overigens aanwijzingen dat onder dat joviale uiterlijk een erg neurotische man schuilging, iets wat sommigen ook in zijn werk menen terug te zien). Dit heeft sterk te maken met het concept van “het heldendom van het moderne leven” van de dichter Baudelaire, een goede vriend van Manet. In 1862 maakte Manet het doek Muziek in de Tuilerieën, dat een grote groep rijke mensen toont in dit Parijse park, onder wie Manet zelf en vrienden en familieleden. Net als bij De absintdrinker zijn bepaalde stukken scherp en andere, ook op de voorgrond, onscherp, en critici waren dan ook weer furieus.

In de jaren 1860 maakte Manet veel werk met Spaanse thema’s. Al in de jaren 1840 waren Spaanse schilderijen in de mode in Parijs; Manet moet deze in het Louvre gezien hebben. Zijn werk De Spaanse zanger uit 1860 was zijn eerste succes in de Salon. In 1864 exposeerde hij er Episode d’un Course de Taureaux (Incident tijdens een stierengevecht). Na zijn bezoek aan Madrid in 1865 werd hij vooral beïnvloed door Diego Velázquez. In navolging van de Spaanse meester maakte Manet een serie schilderijen van “bedelaar-filosofen”, die hij in 1867 exposeerde tijdens de Wereldtentoonstelling. Omdat zijn werk daar afgewezen werd, deed hij dit in een eigen paviljoen, net als Courbet. Manet werd ook beïnvloed door de Japanse kunst, die in die tijd voor het eerst populair werd in Frankrijk.

In 1863 was er zoveel weerstand tegen het oordeel van de jury van de Salon dat keizer Napoleon III een speciale, gelijktijdige tentoonstelling van de geweigerde werken verordonneerde, de beroemde Salon des Refusés. Manet toonde er drie werken, waarvan het bekendste Déjeuner sur l’Herbe is (Lunch op het gras). Het toont een picknick van twee eigentijds geklede mannen (een broer van Manet en zijn zwager Ferdinand Leenhoff) en een naakte en een halfnaakte vrouw. De stand van de drie figuren op de voorgrond is een overduidelijke verwijzing naar Het Oordeel van Paris van Rafaël, dat Manet kende in een kopie van de kopergraveur Marcantonio Raimondi en de reproducties uit Charles Blanc’s Histoire des peintres de toutes les écoles, maar het is ook geïnspireerd door Pastoraal Concert van Titiaan. Critici waren er furieus over; zij vonden dat Manets “picknick” deze Renaissance-werken ontheiligde door ze te “citeren” in een moderne context, waarbij gewone, moderne mensen de plaats innamen van goden en nimfen. In tegenstelling tot wat bij die oudere doeken het geval was, was het voor toeschouwers onduidelijk waarom de vrouwen naakt waren.

In 1865 durfde de jury van de Salon niet te veel werken te weigeren, zodat ook Manets Olympia geaccepteerd werd, een naakt geïnspireerd op Titiaans Venus van Urbino. De kritiek leek op die op Déjeuner: in Manets versie was het te duidelijk dat de naakte vrouw in kwestie een prostituee voorstelde. Een ander punt was dat het model, hetzelfde als in Déjeuner, bekend was in Parijs. Victorine Meurent, die overigens zelf ook schilderde, was Manets favoriete model. De schrijver Zola verdedigde Manets werk en werd als dank door hem rond 1867 geportretteerd. In 1873 maakte Manet het schilderij Le Bon Bock (“Het goede glas bier”), dat een gezette, pijprokende, bierdrinkende man toont en duidelijk geïnspireerd is door het werk van Frans Hals. Dit viel zeer in de smaak, zelfs bij de meest conservatieve critici.

Manet had weinig op met historische onderwerpen, maar hij maakte wel schilderijen over politieke gebeurtenissen in zijn eigen tijd, bijvoorbeeld die in Mexico in de jaren 1861-1867. Tijdens de oorlog van 1870, tussen Frankrijk en Pruisen, was Manet lid van de Franse Nationale Garde, met de opdracht Parijs te verdedigen, maar hij is nooit direct betrokken geweest bij een gevecht. Aansluitend, in 1871, was hij betrokken bij de Parijse Commune. Hij was lid van een commissie van kunstenaars in de Commune, waarvan Courbet voorzitter was. Na de afslachting door het Franse leger van minstens 20.000 communards heeft Manet daarvan tekeningen gemaakt.

De impressionisten

Manet wordt vaak beschouwd als impressionist, maar daar is zeker in de periode tot 1874 veel op af te dingen. Hoewel zijn thema’s vaak controversieel waren, hield hij lang vast aan een traditioneel-realistische stijlopvatting en en een geheel eigen werkwijze. Zo werkte hij bijvoorbeeld vooral in zijn atelier, weinig en plein air (in de open lucht). Ook was zijn kleurenpalet, zeker in het begin van zijn carrière, minder helder en gebruikte hij veel zwart. Hoewel Manet niet als leider van de impressionisten gezien wilde worden, bleven de jonge avant-gardisten toch tegen hem opkijken. Zij zagen in hem een aanvoerder in de strijd tegen de vastgeroeste Écoles, en vonden dan ook bijvoorbeeld dat hij met Le Bon Bock te veel concessies deed.

 

In 1874 vond de eerste impressionistische tentoonstelling plaats, maar Manet nam de uitnodiging die hij had gekregen niet aan. Niettemin zou hij de impressionisten nooit verloochenen, integendeel: geleidelijk vond er steeds meer toenadering plaats. In 1874 bracht hij zelfs samen met Renoir en Monet schilderend de zomer door in Gennevilliers en Argenteuil, buitenboorden aan de Seine, nabij Parijs. In die periode zou Manet meer dan ooit tevoren teken geven van zijn ontvankelijkheid voor de principes van het impressionisme. Hij kiest voor een licht palet en heldere kleuren en schildert voor het eerst ook veelvuldig in de buitenlucht. Ook werd zijn toets losser en zijn werkwijze vluchtiger, waar hij eerder van zijn modellen altijd verlangde dat ze langdurig voor hem poseerden.

 

Over de toen nog onbekende Monet zou Manet in 1865 gezegd hebben: “Wie is die Monet, wiens naam zo lijkt op de mijne en die zo profiteert van mijn beruchtheid?” In de zomer van 1874 waren ze beste vrienden en maakte Manet een schilderij van Monet terwijl deze aan het werk is op zijn “atelierboot” op de Seine bij Argenteuil. In dezelfde zomer maakte hij ook een schilderij van Monets vrouw Camille en hun zoon Jean bij de Seine. Beide werken zijn onmiskenbaar impressionistisch. De techniek van het weergeven van water heeft Manet duidelijk van Monet overgenomen.

 

In 1868-1869 schilderde Manet Le Balcon, dat naar een werk van Goya uit 1812 verwijst. Een van de figuren is Berthe Morisot, een jonge schilderes die hij kort daarvoor in het Louvre ontmoet had. Vermoedelijk hebben ze geen intieme relatie met elkaar gehad, maar ze waren wel erg op elkaar gesteld. In 1874 trouwde Morisot met Manets jongere broer Eugène. Morisot hoorde bij de impressionisten en zou enige invloed op Manets werk hebben gehad.

Manets laatste jaren

Tijdens de Salon van 1881 kreeg Manet een medaille, de Légion d’Honneur, de erkenning die hij altijd al gewild had. In 1882 maakte hij het doek Een bar in de Folies-Bergère, dat geldt als zijn laatste meesterwerk.

 

Manet stierf aan de ziekte locomotorische ataxie, die het centraal zenuwstelsel aantast en verlamming veroorzaakt. De oorzaak was syfilis, die Manet mogelijk al in 1848 had opgelopen. Het laatste half jaar van zijn leven had Manet bijna voortdurend pijn.

 

Vlak voor zijn dood in 1883 kreeg hij ook nog koudvuur in zijn been, dat afgezet moest worden. Antonin Proust sprak op de begrafenis en Monet en Zola droegen de kist. Verder waren onder meer Alfred Sisley, Camille Pissarro, Pierre Renoir en Eugène Boudin aanwezig. Hij werd begraven op het Cimetière de Passy in Parijs.