Maria Callas (1923-1977)

  • 01. Bizet: Carmen – L’Amour Est Un Oiseau Rebelle 00:00
  • 02. Bizet: Carmen – Chanson Bohème; Les Tringles Des Sistres Tintaient 04:05
  • 03. Saint-Saëns: Samson Et Dalila – Printemps Qui Commence 08:27
  • 04. Saint-Saëns: Samson Et Dalila – Mon Coeur S’Ouvre À Ta Voix 13:44
  • 05. Gounod: Roméo Et Juliette – Je Veux Vivre 19:03
  • 06. Massenet: Manon – Je Ne Suis Que Faiblesse…Adieu, Notre Petite Table 22:42
  • 07. Gluck: Orphée Et Eurydice – J’Ai Perdu Mon Eurydice 26:03
  • 08. Mozart: Le Nozze Di Figaro, K 492 – Porgi, Amor 30:27
  • 09. Bellini: Norma – Casta Diva 34:40
  • 10. Donizetti: Lucia Di Lammermoor – Regnava Nel Silenzio…Quando Rapito In Estasi 40:18
  • 11. Donizetti: Anna Bolena – Al Dolce Guidami Castel Natio 48:23
  • 12. Verdi: Macbeth – Nel Dì Della Vittoria…Vienil T’Affretta 52:17
  • 13. Verdi: Aida – Ritorna Vincitor 01:00:04
  • 14. Ponchielli: La Gioconda – Suicidio! 01:07:09
  • 15. Verdi: Otello – Ave Maria 01:11:47
  • 1 – 00:00 – Norma, Act I, Scene 4: “Casta diva… Fine al rito” (Norma, Coro)
  • 2 – 10:50 – Carmen, Act I, Scene 5: “L’amour est un oiseau rebelle” (Carmen)
  • 3 – 14:50 – La traviata, Act I, Scene 2: “Libiam ne’ lieti calici” (Alfredo, Violetta, Coro)
  • 4 – 18:02 – La Wally, Act I: “Ebben? Ne andrò lontana” (Wally)
  • 5 – 22:51 – Gianni Schicchi, Act I: “O mio babbino caro” (Lauretta)
  • 6 – 25:23 – Madama Butterfly, Act II: “Un bel dì, vedremo” (Madama Butterfly)
  • 7 – 30:04 – Andrea Chénier, Act III: “La mamma morta” (Maddalena)
  • 8 – 34:54 – La forza del destino, Act IV: “Pace, pace, mio Dio” (Leonora)
  • 9 – 41:17 – Orfeo ed Euridice, Act III, Scene 1: “J’ai perdu mon Eurydice” (Orfeo)
  • 10 – 45:37 – Alceste, Act I, Scene 5: “Divinités du Styx” (Alceste)
  • 11 – 49:57 – Medea, Act I: “Taci, Giason” (Medea, Giasone)
  • 12 – 52:24 – La vestale, Act II: “O nume tutelar” (Julia)
  • 13 – 54:53 – The Barber of Seville, Act I, Scene 5: “Una voce poco fa” (Rosina)
  • 14 – 01:01:12 – Anna Bolena, Act II, Scene 13: “Coppia iniqua”
  • 15 – 01:04:14 – Lucia di Lammermoor, Act III, Scene 4: “Oh, giusto cielo!… Il dolce suono” (Coro, Lucia)
  • 16 – 01:07:42 – Il pirata, Act II, Scene 12: “Qual suono ferale echeggia” & “Oh, sole! Ti vela di tenebre oscure”
  • 17 – 01:11:57 – La sonnambula, Act I: “Care compagne” (Amina, Choeur)
  • 18 – 01:14:08 – I puritani, Act II: “O rendetemi la speme… Qui la voce” (Elvira, Giorgio, Riccardo)
  • 19 – 01:26:59 – Adriana Lecouvreur, Act I, Scene 2: “Ecco: respiro appena” (Adriana)
  • 20 – 01:30:42 – Adriana Lecouvreur, Act IV, Scene 5: “Poveri fiori” (Adriana)
  • 21 – 01:33:53 – Nabucco, Act II, Scene 1: “Ben io t’invenni – Anch’io dischiuso un giorno” (Abigaille)
  • 22 – 01:43:01 – Ernani, Act I, Scene 3: “Surta è la notte” & Cavatina. “Ernani! Ernani, involami” (Elvira)
  • 23 – 01:49:17 – Macbeth, Act II, Scene 1: “La luce langue” (Lady Macbeth)
  • 24 – 01:53:25 – Rigoletto, Act I: “Gualtier Maldé” (Gilda)
  • 25 – 02:00:53 – La traviata, Act I, Scene 5: “Ah, fors’è lui” (Violetta)
  • 26 – 02:03:54 – La traviata, Act I, Scene 5: “Sempre libera degg’io” (Violetta, Alfredo)
  • 27 – 02:07:50 – I vespri siciliani, Act V, Scene 2: “Mercé, dilette amiche” (Elena)
  • 28 – 02:11:48 – Un ballo in maschera, Act II: “Ecco l’orrido campo” (Amelia)
  • 29 – 02:18:32 – La forza del destino, Act II, Scene 10: “La Vergine degli angeli” (Coro, Leonora)
  • 30 – 02:22:07 – Don Carlo, Act IV, Scene 2: “Tu che le vanità” (Elisabeth)
  • 31 – 02:32:48 – Aida, Act I: “Ritorna vincitor” (Aida)
  • 32 – 02:40:05 – Le pardon de Ploërmel, Act II, Scene 3: “Ombra leggera” (Dinorah)
  • 33 – 02:45:44 – Mignon, Act II: “Ah, pour ce soir… Je suis Titania la blonde” (Philine)
  • 34 – 02:50:51 – Hamlet, Act IV: “Et maintenant écoutez ma chanson” (Ophélie)
  • 35 – 02:55:14 – Roméo et Juliette, Act I: “Ah! Je veux vivre dans ce rêve” (Juliette)
  • 36 – 02:58:49 – Mefistofele, Act III: “L’altra notte in fondo al mare” (Margherita)
  • 37 – 03:06:12 – Carmen, Act I, Scene 10: “Près des remparts de Séville” (Carmen)
  • 38 – 03:08:12 – La Gioconda, Act I, Scene 3: “Madre adorata” (La Gioconda, Barnaba, La Cieca)
  • 39 – 03:12:03 – Samson et Dalila, Op. 47, Act I, Scene 6: “Printemps qui commence” (Dalila)
  • 40 – 03:17:15 – Lakmé, Act II: “Dov’è l’indiana bruna?” (Lakmé)
  • 41 – 03:25:17 – Le Cid, Act III: “De cet affreux combat… Pleurez mes yeux” (Chimène)
  • 42 – 03:31:20 – Pagliacci, Act I, Scene 2: “Qual fiamma avea nel guardo!” – “Stridono lassù” (Nedda)
  • 43 – 03:35:59 – Louise, Act III, Scene 1: “Depuis le jour” (Louise)
  • 44 – 03:40:42 – Manon Lescaut, Act IV: “Sola, perduta, abbandonata” (Manon)
  • 45 – 03:46:32 – La bohème, Act I: “Sì. Mi chiamano Mimì” & “Ehi! Rodolfo!” (Mimi, Rodolfo, Schaunard, Colline, Marcello)
  • 46 – 03:52:08 – La bohème, Act III: “Donde lieta uscì” (Mimì)
  • 47 – 03:55:25 – Tosca, Act II, Scene 5: “Vissi d’arte, vissi d’amore” (Tosca)
  • 48 – 03:58:40 – Madama Butterfly, Act I: “Vogliatemi bene” (Madama Butterfly, Pinkerton)
  • 49 – 04:05:56 – Suor Angelica, Act I: “Senza mamma” (Suor Angelica)
  • 50 – 04:11:28 – Turandot, Act I: “Signore, ascolta!” (Liù)
Maria Callas
Maria Callas

Maria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos (Grieks: Μαρία Άννα Σοφία Καικιλία Καλογεροπούλου), beter bekend onder haar artiestennaam Maria Callas (Grieks: Μαρία Κάλλας) (New York, 2 december 1923 – Parijs, 16 september 1977) was een van de beroemdste operazangeressen van na de Tweede Wereldoorlog.

Maria Kalogeropoulos werd geboren in New York. De achternaam Kalogeropoulos werd op haar geboortecertificaat ingekort tot Kalos, wat in het Grieks mooi betekent, later werd dit vervormd tot Callas. De jonge Maria reisde in 1937 met haar moeder mee terug naar Griekenland en kreeg haar eerste zangopleiding in Athene. Hoewel ze voor het Atheens Conservatorium niet werd aangenomen, kon ze aan het werk bij het Grieks Nationaal Conservatorium. Haar eerste zangpedagoge Maria Trivella besloot dat ze geen alt, maar een dramatische sopraan was. Callas werkte zeer hard en boekte snel vorderingen. Op 11 april 1938 gaf ze haar eerste openbare optreden, met een stuk uit Tosca. In 1939 ging ze alsnog aan het Atheens Conservatorium studeren, onder Elvira de Hidalgo. In 1942 zong ze de hoofdrol in Tosca. Binnen tien jaar zou ze bekendstaan onder de bijnaam la divina – de goddelijke.

In 1949 trouwde ze met Giovanni Battista Meneghini, een oudere rijke industrieel uit Milaan: het huwelijk duurde tot 1959. Tussen 1953 en 1954 verloor Callas ongeveer 36 kilo lichaamsgewicht, en kreeg ze het slanke postuur van haar latere jaren.

Maria Callas
Maria Callas

Deze Amerikaans-Griekse sopraan schitterde vooral in de grote rollen van de negentiende-eeuwse Italiaanse opera’s, in het bijzonder die van Vincenzo Bellini en Giuseppe Verdi.

De kracht van Callas’ stem ligt met name in de dramatische presentatie; ze zong haar partijen op een buitengewoon meeslepende wijze en met volle overtuiging, waarbij de onberispelijkheid van de techniek duidelijk op de tweede plaats kwam ten opzichte van de emotionele impact op de luisteraar.

Haar kwaliteiten werden ook gezien in de combinatie van én een bijzonder goede toneelspeelster én een buitengewone operazangeres. Haar zangtechniek was overigens vooral in haar beste jaren uitstekend, hoewel zangpedagogen altijd bepaalde punten van kritiek hebben gehad. De vermenging bij Callas van het beroepsmatige met het persoonlijke, zoals dit nadrukkelijk door haar en haar platenmaatschappij EMI bevorderd werd richting internationale nieuwsmedia, droeg aan haar enorme succes bij. Hierbij komt dat de stem van Maria Callas een vrij uniek timbre had waardoor zij in elke opname onmiddellijk herkenbaar is.

Callas overkwam enkele keren wat voor elke operazanger een nachtmerrie is, namelijk het wegens fysieke redenen moeten afbreken van een optreden. De eerste maal vond dat plaats op 2 januari 1952 in Rome. In 1965 overkwam haar hetzelfde in Parijs.

Maria Callas
Maria Callas

Na een liefdesverhouding met Aristoteles Onassis tussen 1959 en 1968, die werd beëindigd doordat Onassis haar verruilde voor de weduwe van de Amerikaanse president John F. Kennedy, Jacqueline Kennedy Onassis, trok Callas zich vanaf omstreeks 1965 geleidelijk uit de operawereld terug en verbleef zij in haar appartement in Parijs. Wel liet ze zich overhalen om van 1973 tot 1974 een afscheidstournee te geven over de wereld. Op 11 december 1973 gaf ze in Amsterdam een concert. Het publiek juichte haar keer op keer staande toe: veel bezoekers zagen Callas bij deze gelegenheid voor het eerst in levenden lijve optreden.