Klassiek

Bach – Pianoconcerten in A (BWV 1055), F Mineur (BWV 1056) en G Mineur (BWV 1058)

David Fray en de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen.

In January 2008 David Fray recorded a programme entirely devoted to Bach, comprising four concertos for keyboard and orchestra. For the public these concertos are among the most popular and stimulating of Bach’s works. For David Fray one of the major problems facing the contemporary performer of these works is that they have been “visited” by Glenn Gould. In other words, the objective is to find a way of playing Bach after Gould. By copying him? By standing resolutely apart? The film follows David Fray in his attempt to approach these beautiful works in a highly personal way. In the simplest manner, three situations provide the film‘s setting: David Fray at home working at the score on the piano, explaining the many options open to him, with many examples drawn from the three concertos selected. We then see David Fray rehearsing and recording with the Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, which he conducts from the piano. The film alternates rehearsal and recording sessions of the three concertos, movement by movement, intercut with short interviews. The programme focuses on the concerto in A and on the concertos in F minor and G minor.

Swing, Sing & Think: David Fray – Bach’s Keyboard Concertos
Swing, Sing & Think: David Fray – Bach’s Keyboard Concertos

Bach – Die Kunst der Fuge (BWV 1080)

Een fuga (van het Latijnse fugere, vluchten) is een muziekvorm waarin meerstemmigheid (contrapunt) en gevarieerde herhaling een hoofdrol spelen. Deze vorm ontwikkelde zich in de 18e eeuw uit verschillende soorten contrapuntische composities als de ricercares, capriccio’s, canzones, en fantasia’s.

Die Kunst der Fuge (BWV 1080) is een compositiecyclys van Johann Sebastian Bach, in eerste aanleg gecomponeerd omstreeks 1742 en enkele jaren daarna, met het oog op publicatie, uitgebreid en herzien en postuum uitgegeven in 1751. In deze publicatievorm betreft het een collectie van veertien fuga’s en vier canons.

De compositiecyclus biedt een staalkaart van mogelijkheden in het contrapunt. Elke fuga, door Bach met contrapunctus betiteld, is, afgezien van de onvoltooid overgeleverde laatste fuga, gebaseerd op een eenvoudig grondthema, dat in de eerste fuga meteen aan het begin wordt geïntroduceerd:

Die Kunst der Fuge grondthema
Die Kunst der Fuge grondthema

Bachs Kunst der Fuge is een monument. Zoals de titel al zegt, stelt Bach hier de fuga centraal. Een fuga is een muziekstuk van minimaal twee stemmen waarin de partijen elkaar imiteren. Bach gaf echter niet aan voor welke instrumenten hij de Kunst der Fuge componeerde.

Het imiteren van de partijen kan op veel verschillende manieren en precies dat laat Bach in deze compositie zien. Hij bouwt één enkel muzikaal thema uit tot een groots werk van meer dan een uur. Het thema wordt van alle kanten belicht, vergroot, verkleind, het staat achterstevoren en op zijn kop.

Die Kunst der Fuge onvoltooide Contrapunt 14 met aantekening van C.Ph.E. Bach
Die Kunst der Fuge onvoltooide Contrapunt 14 met aantekening van C.Ph.E. Bach
Die Kunst der Fuge met handtekening van J.S. Bach
Die Kunst der Fuge met handtekening van J.S. Bach
Die Kunst der Fuge eerste druk 1751
Die Kunst der Fuge eerste druk 1751

Guidonische hand

De Guidonische hand is een hulpmiddel uit de muziekpraktijk bij het handzingen zoals onder andere door Willem Gehrels (1885-1971) werd gepropageerd. Het is een systeem dat in vele landen wordt toegepast bij het aanleren of dirigeren van zang.

Guidonische hand
Guidonische hand

Het idee voor deze methode is al zeer oud, en gebaseerd op een systeem van Guido van Arezzo (991-1033) waarin onderscheiden delen van de linkerhand de verschillende tonen van het toenmalig toonsysteem voorstelden. In de afbeelding zijn vanaf de top van de duim de tonen G-A-B-c-d-e-f-g-a-b-c’-d’-e’-f’-g’-a’-b’-c”-d”-e” weergegeven, welke met de wijsvinger van de rechterhand werden aangewezen, zodat de toeschouwer (de zanger) kon zien welke toon er gezongen diende te worden.

Guidonische hand
Guidonische hand

Guido van Arezzo was een Italiaanse benedictijner monnik die wordt beschouwd als een van de belangrijkste grondleggers van de muzieknotatie. Hij werd onderwezen in de benedictijnenabdij van Pomposa, nabij Ferrara (Italië). Daar onderkende hij de moeilijkheden die zangers hadden met het onthouden van toonhoogten in de Gregoriaanse gezangen en besloot er iets aan te doen. Hij ontwierp zijn eigen notenbalk die het mogelijk maakte Gregoriaanse gezangen veel sneller te leren.

Guido van Arezzo
Guido van Arezzo

Deze afbeelding uit een manuscript uit Mantua, uit het einde van de 15e eeuw toont een oude weergave met de tonen ‘ut-re-mi’

Omstreeks 1025 werd hij door bisschop Theobaldus van Arezzo aangesteld om muziekonderricht te geven in de kathedraal St. Donatus (Brugge). Het bekendste geschrift van Guido van Arezzo is de Micrologus, die zijn lesmethode en aantekeningen over muzieknotatie bevat. Door zijn heldere overzichtelijkheid was de Micrologus het meest uitgedragen muziekleerboek van de middeleeuwen. Daarnaast zijn overgeleverd de Aliae regulae, Regulae rhythmicae en Epistola de ignoto cantu.

Verdi – La forza del destino (ouverture)

Giuseppe Verdi (1813-1901)

Ouverture tot de opera La forza del destino (de kracht van het noodlot) uit 1862

Koninklijk Concertgebouw Orkest (KCO/RCO)

Dirigent Antonio Pappano (1959)

Prinsengrachtconcert 2013, Amsterdam

 

La Forca Del Destino
La Forca Del Destino

Maria Callas (1923-1977)

  • 01. Bizet: Carmen – L’Amour Est Un Oiseau Rebelle 00:00
  • 02. Bizet: Carmen – Chanson Bohème; Les Tringles Des Sistres Tintaient 04:05
  • 03. Saint-Saëns: Samson Et Dalila – Printemps Qui Commence 08:27
  • 04. Saint-Saëns: Samson Et Dalila – Mon Coeur S’Ouvre À Ta Voix 13:44
  • 05. Gounod: Roméo Et Juliette – Je Veux Vivre 19:03
  • 06. Massenet: Manon – Je Ne Suis Que Faiblesse…Adieu, Notre Petite Table 22:42
  • 07. Gluck: Orphée Et Eurydice – J’Ai Perdu Mon Eurydice 26:03
  • 08. Mozart: Le Nozze Di Figaro, K 492 – Porgi, Amor 30:27
  • 09. Bellini: Norma – Casta Diva 34:40
  • 10. Donizetti: Lucia Di Lammermoor – Regnava Nel Silenzio…Quando Rapito In Estasi 40:18
  • 11. Donizetti: Anna Bolena – Al Dolce Guidami Castel Natio 48:23
  • 12. Verdi: Macbeth – Nel Dì Della Vittoria…Vienil T’Affretta 52:17
  • 13. Verdi: Aida – Ritorna Vincitor 01:00:04
  • 14. Ponchielli: La Gioconda – Suicidio! 01:07:09
  • 15. Verdi: Otello – Ave Maria 01:11:47
  • 1 – 00:00 – Norma, Act I, Scene 4: “Casta diva… Fine al rito” (Norma, Coro)
  • 2 – 10:50 – Carmen, Act I, Scene 5: “L’amour est un oiseau rebelle” (Carmen)
  • 3 – 14:50 – La traviata, Act I, Scene 2: “Libiam ne’ lieti calici” (Alfredo, Violetta, Coro)
  • 4 – 18:02 – La Wally, Act I: “Ebben? Ne andrò lontana” (Wally)
  • 5 – 22:51 – Gianni Schicchi, Act I: “O mio babbino caro” (Lauretta)
  • 6 – 25:23 – Madama Butterfly, Act II: “Un bel dì, vedremo” (Madama Butterfly)
  • 7 – 30:04 – Andrea Chénier, Act III: “La mamma morta” (Maddalena)
  • 8 – 34:54 – La forza del destino, Act IV: “Pace, pace, mio Dio” (Leonora)
  • 9 – 41:17 – Orfeo ed Euridice, Act III, Scene 1: “J’ai perdu mon Eurydice” (Orfeo)
  • 10 – 45:37 – Alceste, Act I, Scene 5: “Divinités du Styx” (Alceste)
  • 11 – 49:57 – Medea, Act I: “Taci, Giason” (Medea, Giasone)
  • 12 – 52:24 – La vestale, Act II: “O nume tutelar” (Julia)
  • 13 – 54:53 – The Barber of Seville, Act I, Scene 5: “Una voce poco fa” (Rosina)
  • 14 – 01:01:12 – Anna Bolena, Act II, Scene 13: “Coppia iniqua”
  • 15 – 01:04:14 – Lucia di Lammermoor, Act III, Scene 4: “Oh, giusto cielo!… Il dolce suono” (Coro, Lucia)
  • 16 – 01:07:42 – Il pirata, Act II, Scene 12: “Qual suono ferale echeggia” & “Oh, sole! Ti vela di tenebre oscure”
  • 17 – 01:11:57 – La sonnambula, Act I: “Care compagne” (Amina, Choeur)
  • 18 – 01:14:08 – I puritani, Act II: “O rendetemi la speme… Qui la voce” (Elvira, Giorgio, Riccardo)
  • 19 – 01:26:59 – Adriana Lecouvreur, Act I, Scene 2: “Ecco: respiro appena” (Adriana)
  • 20 – 01:30:42 – Adriana Lecouvreur, Act IV, Scene 5: “Poveri fiori” (Adriana)
  • 21 – 01:33:53 – Nabucco, Act II, Scene 1: “Ben io t’invenni – Anch’io dischiuso un giorno” (Abigaille)
  • 22 – 01:43:01 – Ernani, Act I, Scene 3: “Surta è la notte” & Cavatina. “Ernani! Ernani, involami” (Elvira)
  • 23 – 01:49:17 – Macbeth, Act II, Scene 1: “La luce langue” (Lady Macbeth)
  • 24 – 01:53:25 – Rigoletto, Act I: “Gualtier Maldé” (Gilda)
  • 25 – 02:00:53 – La traviata, Act I, Scene 5: “Ah, fors’è lui” (Violetta)
  • 26 – 02:03:54 – La traviata, Act I, Scene 5: “Sempre libera degg’io” (Violetta, Alfredo)
  • 27 – 02:07:50 – I vespri siciliani, Act V, Scene 2: “Mercé, dilette amiche” (Elena)
  • 28 – 02:11:48 – Un ballo in maschera, Act II: “Ecco l’orrido campo” (Amelia)
  • 29 – 02:18:32 – La forza del destino, Act II, Scene 10: “La Vergine degli angeli” (Coro, Leonora)
  • 30 – 02:22:07 – Don Carlo, Act IV, Scene 2: “Tu che le vanità” (Elisabeth)
  • 31 – 02:32:48 – Aida, Act I: “Ritorna vincitor” (Aida)
  • 32 – 02:40:05 – Le pardon de Ploërmel, Act II, Scene 3: “Ombra leggera” (Dinorah)
  • 33 – 02:45:44 – Mignon, Act II: “Ah, pour ce soir… Je suis Titania la blonde” (Philine)
  • 34 – 02:50:51 – Hamlet, Act IV: “Et maintenant écoutez ma chanson” (Ophélie)
  • 35 – 02:55:14 – Roméo et Juliette, Act I: “Ah! Je veux vivre dans ce rêve” (Juliette)
  • 36 – 02:58:49 – Mefistofele, Act III: “L’altra notte in fondo al mare” (Margherita)
  • 37 – 03:06:12 – Carmen, Act I, Scene 10: “Près des remparts de Séville” (Carmen)
  • 38 – 03:08:12 – La Gioconda, Act I, Scene 3: “Madre adorata” (La Gioconda, Barnaba, La Cieca)
  • 39 – 03:12:03 – Samson et Dalila, Op. 47, Act I, Scene 6: “Printemps qui commence” (Dalila)
  • 40 – 03:17:15 – Lakmé, Act II: “Dov’è l’indiana bruna?” (Lakmé)
  • 41 – 03:25:17 – Le Cid, Act III: “De cet affreux combat… Pleurez mes yeux” (Chimène)
  • 42 – 03:31:20 – Pagliacci, Act I, Scene 2: “Qual fiamma avea nel guardo!” – “Stridono lassù” (Nedda)
  • 43 – 03:35:59 – Louise, Act III, Scene 1: “Depuis le jour” (Louise)
  • 44 – 03:40:42 – Manon Lescaut, Act IV: “Sola, perduta, abbandonata” (Manon)
  • 45 – 03:46:32 – La bohème, Act I: “Sì. Mi chiamano Mimì” & “Ehi! Rodolfo!” (Mimi, Rodolfo, Schaunard, Colline, Marcello)
  • 46 – 03:52:08 – La bohème, Act III: “Donde lieta uscì” (Mimì)
  • 47 – 03:55:25 – Tosca, Act II, Scene 5: “Vissi d’arte, vissi d’amore” (Tosca)
  • 48 – 03:58:40 – Madama Butterfly, Act I: “Vogliatemi bene” (Madama Butterfly, Pinkerton)
  • 49 – 04:05:56 – Suor Angelica, Act I: “Senza mamma” (Suor Angelica)
  • 50 – 04:11:28 – Turandot, Act I: “Signore, ascolta!” (Liù)
Maria Callas
Maria Callas

Maria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos (Grieks: Μαρία Άννα Σοφία Καικιλία Καλογεροπούλου), beter bekend onder haar artiestennaam Maria Callas (Grieks: Μαρία Κάλλας) (New York, 2 december 1923 – Parijs, 16 september 1977) was een van de beroemdste operazangeressen van na de Tweede Wereldoorlog.

Maria Kalogeropoulos werd geboren in New York. De achternaam Kalogeropoulos werd op haar geboortecertificaat ingekort tot Kalos, wat in het Grieks mooi betekent, later werd dit vervormd tot Callas. De jonge Maria reisde in 1937 met haar moeder mee terug naar Griekenland en kreeg haar eerste zangopleiding in Athene. Hoewel ze voor het Atheens Conservatorium niet werd aangenomen, kon ze aan het werk bij het Grieks Nationaal Conservatorium. Haar eerste zangpedagoge Maria Trivella besloot dat ze geen alt, maar een dramatische sopraan was. Callas werkte zeer hard en boekte snel vorderingen. Op 11 april 1938 gaf ze haar eerste openbare optreden, met een stuk uit Tosca. In 1939 ging ze alsnog aan het Atheens Conservatorium studeren, onder Elvira de Hidalgo. In 1942 zong ze de hoofdrol in Tosca. Binnen tien jaar zou ze bekendstaan onder de bijnaam la divina – de goddelijke.

In 1949 trouwde ze met Giovanni Battista Meneghini, een oudere rijke industrieel uit Milaan: het huwelijk duurde tot 1959. Tussen 1953 en 1954 verloor Callas ongeveer 36 kilo lichaamsgewicht, en kreeg ze het slanke postuur van haar latere jaren.

Maria Callas
Maria Callas

Deze Amerikaans-Griekse sopraan schitterde vooral in de grote rollen van de negentiende-eeuwse Italiaanse opera’s, in het bijzonder die van Vincenzo Bellini en Giuseppe Verdi.

De kracht van Callas’ stem ligt met name in de dramatische presentatie; ze zong haar partijen op een buitengewoon meeslepende wijze en met volle overtuiging, waarbij de onberispelijkheid van de techniek duidelijk op de tweede plaats kwam ten opzichte van de emotionele impact op de luisteraar.

Haar kwaliteiten werden ook gezien in de combinatie van én een bijzonder goede toneelspeelster én een buitengewone operazangeres. Haar zangtechniek was overigens vooral in haar beste jaren uitstekend, hoewel zangpedagogen altijd bepaalde punten van kritiek hebben gehad. De vermenging bij Callas van het beroepsmatige met het persoonlijke, zoals dit nadrukkelijk door haar en haar platenmaatschappij EMI bevorderd werd richting internationale nieuwsmedia, droeg aan haar enorme succes bij. Hierbij komt dat de stem van Maria Callas een vrij uniek timbre had waardoor zij in elke opname onmiddellijk herkenbaar is.

Callas overkwam enkele keren wat voor elke operazanger een nachtmerrie is, namelijk het wegens fysieke redenen moeten afbreken van een optreden. De eerste maal vond dat plaats op 2 januari 1952 in Rome. In 1965 overkwam haar hetzelfde in Parijs.

Maria Callas
Maria Callas

Na een liefdesverhouding met Aristoteles Onassis tussen 1959 en 1968, die werd beëindigd doordat Onassis haar verruilde voor de weduwe van de Amerikaanse president John F. Kennedy, Jacqueline Kennedy Onassis, trok Callas zich vanaf omstreeks 1965 geleidelijk uit de operawereld terug en verbleef zij in haar appartement in Parijs. Wel liet ze zich overhalen om van 1973 tot 1974 een afscheidstournee te geven over de wereld. Op 11 december 1973 gaf ze in Amsterdam een concert. Het publiek juichte haar keer op keer staande toe: veel bezoekers zagen Callas bij deze gelegenheid voor het eerst in levenden lijve optreden.

Puccini – Nessun Dorma

  • Giacomo Puccini (1858-1924)
  • Werk: Acte III: “Nessun Dorma” uit de opera “Turandot”
  • Opname: “The Puccini Album”
  • Tenor: Jonas Kaufmann
  • Orkest: Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia
  • Dirigent: Antonio Pappano